Leiden, 20 November 1994

MEDUSA was één der drie Gorgonen, gevleugelde vrouwen met slangenhaar en soms ook afgebeeld met grote slagtanden. Schrik en ontzetting gingen uit van het drietal; wie hen aanzag versteende. Perseus wist tot de verblijfplaats van MEDUSA door te dringen en ontnam haar haar hoofd. Uit het bloed van MEDUSA is het gevleugelde paard Pegasus gesproten. Op de plaats waar zich dit verhief welde onder zijn hoefslag de aan de muzen gewijde bron Hippocrene op. Tijdens het vervoer van de MEDUSA-kop zijn van de afgedruppelde bloeddroppels de vele giftige slangen in Afrika ontstaan. Perseus wilde onderweg uitrusten bij koning Atlas, die het hemelgewelf op zijn schouders torste. Atlas weigert hem te ontvangen waarna Perseus hem de MEDUSA-kop voorhoudt. Atlas werd steen: als een hoge berg verheft hij zich nu nog op Afrika's noordkust. Na een aantal huwelijksgezelschappen versteend te hebben, wordt het hoofd van MEDUSA aan Athene geschonken. Vrouwe Justitia draagt het nog immer op haar borstharnas!

 

Zoals de Griekse mythe reeds aangeeft, is MEDUSA een weerzinwekkende vrouw, die vele angst aanjaagt en dat geeft uitstekend het karakter van dit gezelschap weer. Wij kennen geen angst om ons te profileren noch in de aanwezigheid van de gemiddelde Augustijn noch daarbuiten. 

 

- van der Last, Schouwenburg, Piters 1994

 

Het gestelde ideaal door onze oprichtsters is meer dan twintig jaar later nog steeds in ere gehouden. Deze brute wijven in groene broek zijn immer aanwezig op de woensdag in de hoek. Met activiteiten als het Medusa Modderworstelen in de EL CID en de Medusa Playbackshow in december is Medusa door heel Leiden gekend en gevreesd. Niet alleen op Augustinus ziet men de smerige groene broeken voorbij komen. Angst is de primaire reactie van gezelschappen als ze het duel met ons aan moeten gaan tijdens het Augustinus Hockeytoernooi en Adeodatus Voetbaltoernooi. We zijn een groot, actief gezelschap dat nooit een uitdaging uit de weg gaat. Van borrels tot besturen en van cantussen tot commissies, zijn wij zeer aanwezig op Augustinus en daarbuiten.